Weer racisme uit de kunstsector

Afbeelding: Hoe het standbeeld van J.P. Coen er eigenlijk uit zou moeten zien

De kunstsector is per definitie exclusief. Alle kunstinstellingen zijn beperkt in tijd, ruimte en financiële middelen. Het is dus niet verwonderlijk dat er een groot gebrek heerst aan diversiteit op allerlei vlak. Bijvoorbeeld op gebied van politieke overtuigingen, doordat de politieke lobby voor kunstsubsidie overwegend links is. En op gebied van kunstdisciplines, waarbij nog voornamelijk wordt uitgegaan van ouderwetse kunstvormen, in plaats van nieuwe online media. Maar in de laatste plaats op gebied van culturele diversiteit. 

Als er één sector is waarin culturele diversiteit decennialang onderwerp is van debat en al sinds jaren is verankerd in het overheidsbeleid, dan is het wel de kunstsector. Middels de Code Culturele Diversiteit is er een criterium verbonden aan kunstsubsidie, wat de aanvragers verplicht diversiteit te stimuleren binnen de organisatie. En zoals alle regelingen die de overheid treft, wordt ook van deze misbruik gemaakt. Zo zijn er kunstinstellingen die wel suggereren diversiteit op te nemen in het eigen beleid, maar dan met name om hiermee verzekerd te zijn van inkomsten, al is het lastig met zekerheid vast te stellen welke instellingen dat zijn. Een kwalijke zaak dat binnen de wereld van de subsidies altijd al een probleem is geweest, niet in het bijzonder op gebied van culturele diversiteit. 

De ‘kunstenaars van kleur’, zoals zij zichzelf in de brief ‘Wij zien jullie, witte kunst- en cultuursector’ in de Theaterkrant van 15 juni noemen, stellen dat de Code Culturele Diversiteit misbruikt wordt door kunstinstellingen, maar komen niet met concrete voorbeelden. Opvallend is hierbij dat tenminste een deel van de groep zelf dankbaar gebruik heeft gemaakt van het nieuwe kunstbeleid en hoge posities binnen de kunstsector bekleedt. Om bij mijn eigen vakgebied beeldende kunst te blijven zijn er onder de briefschrijvers kunstenaars als Remy Jungerman, die Nederland vorig jaar nog mocht vertegenwoordigen tijdens de prestigieuze Biënnale van Venetië.  En in 2017 kon Jungerman bijvoorbeeld dankzij een Bijdrage Gastateliers van het Mondriaan Fonds ter waarde van 31.500 euro drie maanden verblijven en werken in New York.

In een andere brief getiteld ‘Het Stedelijk sluit zwarte kunstenaars uit’, gepubliceerd in Het Parool op 16 juni, stelt Vincent van Velsen dat het museum te weinig doet aan het stelselmatig uitsluiten van kunstenaars van kleur en niet-westerse kunstenaars. Ook Van Velsen noemt geen voorbeelden voor deze toch best vergaande aantijging. Zelf is Van Velsen plaatsvervangend voorzitter van de Adviescommissie Bijdrage Publicaties en voorzitter van de Adviescommissie Werkbijdrage Bewezen Talent bij het Mondriaan Fonds. Hij maakt samen met Quinsy Gario deel uit van het bestuur van het vermaarde kunstcentrum de Appel in Amsterdam en is tevens redacteur bij het bekende kunsttijdschrift Metropolis M. In 2017 maakte Van Velsen nog samen met onder andere Remy Jungerman op kosten van het Mondriaan Fonds een oriëntatiereis naar Cuba en de Verenigde Staten. 

Wat de aantijgingen jegens het Stedelijk betreft: het museum heeft onlangs curator at large Yvette Mutumba aangesteld, die ‘vanuit haar eigen praktijk een sterke visie heeft ontwikkeld op globalisering, dekolonisatie en de relevantie van kunstinstellingen in deze context’. En in 2019 exposeerde Raquel van Haver (die geen van de brieven ondertekende) nog in het museum met de veelgeprezen tentoonstelling Spirits of the Soil. Van het stelselmatig uitsluiten van zwarte kunstenaars door het Stedelijk is dus geen sprake.

Afgezien van het feit dat de beschuldigingen die in de brieven worden geuit niet onderbouwd worden, zit er een ongerust makende kant aan de diepere inhoud. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kunstenaars op basis van huidskleur. Hierbij gaat men ervanuit dat op vlak van kunstbeleving en het maken van kunst fundamentele verschillen bestaan tussen mensen met een verschillende huidskleur.

Zo worden er op uiterst polariserende wijze twee kampen gecreëerd door niemand anders dan de briefschrijvers zelf, waarin alles draait om macht. Door in de Theaterkrant te beweren: ‘Diversiteit is plaats maken’, doelen de schrijvers op de ‘witte’ kunstprofessional die zijn of haar plaats zou moeten afstaan aan iemand ‘van kleur’. Maar diversiteit betekent juist het tegenovergestelde. Diversiteit is de bereidheid je plaats te delen met een ander en elkaar aan te vullen. De machtsgreep die de briefschrijvers voor ogen hebben, gebaseerd op een racistische ideologie, is een kwalijke en zelfs gevaarlijke zaak, die binnen de kunstsector geen bevestiging verdient. 

Comments are closed.
* required

This is a unique website which will require a more modern browser to work! Please upgrade today!