Nelle Boer | in gesprek met Bart Domburg

28 augustus 2019

Bart Domburg in 1992 © Wim Ruigrok / de Volkskrant

Voor nog betrekkelijk jonge kunstenaars als ik vormt de oudere generatie van Bart Domburg (1957) een romantisch ideaal. Domburg maakte eind jaren tachtig, begin jaren negentig samen met Peter Klashorst, Jurriaan van Hall, Ernst Voss en de gebroeders Donker onderdeel uit van het laatste Nederlandse kunstcollectief van betekenis: After Nature. Uitgangspunt van het collectief was het schilderen naar de waarneming in een tijd dat abstracte en conceptuele kunst de boventoon voerde.

Het levendige kunstklimaat van begin jaren tachtig werd gekenmerkt door een samenspel van muziek, poëzie en beeldende kunst, wat verschillende kunstenaars internationale faam opleverde. Wat is er veranderd sinds die tijd en was het inderdaad zo romantisch als het lijkt? Om daar meer over te weten te komen ging ik in gesprek met de kunstenaar. 

Hoe ben je eigenlijk begonnen in de kunst?

Ik heb eerst vier jaar in Den Bosch gezeten, waar we met een aantal kunstenaars V2 begonnen. Een gekraakt pand met ateliers, een expositieruimte en een concertruimte. Daar werden ieder weekend tentoonstellingen georganiseerd, traden bandjes en dichters op en werden performances uitgevoerd. 

Ik zag zelfs een affiche van jouw hand met een persoon die zijn vingers in de oren stopt?

In die tijd schilderden en plakten we de affiches zelf. Dat was veel praktischer en minder kostbaar dan naar een drukkerij te gaan. Na verloop van tijd werden die affiches zo populair dat kort nadat we ze geplakt hadden een andere ploeg ze er weer afhaalden.

En pas veel later kwam je in contact met de kunstenaars van After Nature?

Je moet je voorstellen: het was een compleet andere tijd. We zaten nog midden in de Koude Oorlog, er waren massaprotesten tegen kernwapens en overal konden panden worden gekraakt. Daaruit ontstond een netwerk van uitwisseling van kunstenaars en bands, waardoor ik contact kreeg met mensen uit Amsterdam. Zo ontmoette ik Peter Giele die een grote ruimte had in de binnenstad, genaamd Aorta. Toen Peter een huisje kreeg dat hij zelf niet nodig had, belde hij me op en vroeg of dat niet wat voor mij was. Zo ben ik in Amsterdam terecht gekomen.

Dit roept bij mij meteen al op dat de kunsten in die tijd veel levendiger waren. Kun je dat zo zeggen?

Ja, dat denk ik wel. Op dat moment was er een mentaliteit en een energie van: we doen het zelf wel. Dat ging gepaard met de opkomst van de punkmuziek. We pakken een gitaar en een drumstel en we gaan gewoon spelen. Er heerste een enorm energieke sfeer en we hadden allemaal het gevoel van: de wereld hoort aan ons, we kunnen doen en laten wat we willen.

We doen het zelf, dus ook zonder subsidie?

Er werden wel subsidies aangevraagd. Je had toen nog de BKR-regeling, waar kunstenaars gebruik van maakten. Maar het was voornamelijk een idee van: we gaan niet wachten op de instituties, de galeries en musea, we gaan het gewoon zelf doen. Zo ontstond die uitwisseling waarin ook dichters als Koos Dalstar en Joost Zwagerman figureerden.

Dus After Nature was onderdeel van een veel grotere beweging?

Dat was later. Eind jaren tachtig ontstonden er nieuwe galeries en groeiden kunstenaars uit tot een soort popsterren. Ze begonnen werk te verkopen, kregen tentoonstellingen en werden geaccepteerd. Daar was After Nature een reactie op.

In de documentaire ‘Een rare zonsondergang’ stel je ook: het gaat alleen nog om hoe je kunst kunt verkopen. Is dat niet alleen maar erger geworden?

Ja, dat is extreem geworden. Voor kleinere galeries is het niet meer te doen. Er zijn nog een aantal grote galeries met grote verzamelaars en die bepalen wat kunst is.

Ikzelf zie ook een grote rol van de overheid die met subsidie een stempel drukt op de kunst.

Dat vind ik moeilijk te zeggen, want met subsidie van de overheid redt je het niet alleen. Het gaat echt om netwerken, dat je mensen kent die je werk verder verspreiden. Daar heeft de overheid heel weinig invloed op. 

Je hebt waarschijnlijk gehoord van de term ‘cultureel ondernemer’? Ik vind dat zelf een vreselijke term.

Vind ik ook, maar dat hangt allemaal samen met het idee van de vrije markt en het neoliberalisme. Op een gegeven moment kreeg je die ongelooflijke bezuinigingen van Halbe Zijlstra, maar het ergste daaraan was dat er met een soort dedain over kunstenaars gesproken werd, alsof dat alleen maar subsidievreters waren. Dat was onzin, maar het dedain waarmee daarover gesproken werd was schokkend.

En ik denk zelfs dat het nog heeft gewerkt ook, omdat je dit terugvindt in de publieke opinie over kunstenaars. Was het imago van kunstenaars in de tijd dat jij begon beter en werden jullie  bijvoorbeeld meer serieus genomen?

Ik denk dat kunstenaars veel meer aanwezig waren. Men was ook niet bezig met: kijk mij eens, ik ben kunstenaar. Je deed gewoon de dingen die je leuk of interessant vond. Dat geeft een enorme vrijheid waarin je elkaar stimuleert. Nu werkt iedere kunstenaar meer voor zichzelf. 

Kunstenaars gunden elkaar meer?

Ja, je gunde elkaar meer. En als je een idee had werd daar amper over gesproken, dan ging je dat gewoon doen. Dat ging allemaal heel vanzelfsprekend. Ik denk dat men tegenwoordig veel banger is. Bang voor de mislukking, maar ook bang voor de vraag of het wel goed is voor je carrière. Daar stonden wij überhaupt niet bij stil. 

Ik heb zelf precies het omgekeerde beleefd. Nadat ik een kunstproject had gemaakt over een Marokkaanse publicist dat veel ophef veroorzaakte, verwachtte ik dat alle deuren voor me zouden openen. Maar het tegendeel gebeurde.

Je hebt iets gedaan dat tegen de regels was. Je hebt de zaak, in de ogen van media en dergelijke, besodemieterd en dat wordt genadeloos afgestraft.

Maar ik dacht altijd dat tegen de regels ingaan als kunstenaar een pre was.

Ja, dat zou je dus denken. Blijkbaar kunnen die mensen niet verder kijken en bedenken: dit is een prachtig kunstwerk. Dat je iemand verzint, die ook nog meedoet in het debat over allerlei zaken, dat zij dat niet als kunst kunnen zien betekent eerder dat ze zich op hun tenen getrapt voelden.

Is dat misschien te romantisch gedacht, of kregen jij en Klashorst met After Nature inderdaad meer positieve aandacht?

Klashorst en ik waren al gerenommeerde kunstenaars toen wij met After Nature begonnen en iedereen stond stomverbaasd. Het werd ontzettend verguisd, iedereen vond het volkomen flauwekul. Voor een bepaald blad heb ik toen een fictief stuk geschreven dat Jan Hoet, destijds de nieuwe directeur van Documenta IX in Kassel, bij ons op het atelier kwam en daar ons werk wilde presenteren. En dat werd ook gewoon door de Volkskrant en andere kranten overgenomen, terwijl ik dat volledig uit mijn duim had gezogen. 

En toch heeft After Nature op andere manieren weer deuren voor jullie geopend?

Nou, nee. After Nature heeft eerder voor ons deuren dichtgeslagen. Iedereen vond het een aanfluiting en een aanval op de destijds conceptuele kunst. Pas achteraf werd die beweging beschouwd als iets bijzonders dat toch veel losgemaakt heeft.

Het bijna wilde schilderwerk van toen en je uitgeschreven teksten van nu, zijn dat twee uitersten?

Ja, maar dat is niet van de ene op de andere dag zo gegaan. Na After Nature ben ik tien jaar in Berlijn gaan wonen en werken. Daar maakte ik realistische schilderijen van plekken in de stad, wat een relatie had met After Nature. Voor geschiedenis heb ik me altijd geïnteresseerd en ben me daar in Berlijn meer in gaan verdiepen. Tijdens het lezen van teksten bedacht ik me: maar wat voor beeld past daar dan bij? Vervolgens dacht ik: ik kan die teksten ook gewoon eens op gaan schrijven, waarbij ik ontdekte dat dit veel beeldende mogelijkheden bood.

Weer terug in Nederland besefte ik me dat er – mede dankzij Baudet – veel instituties onder vuur liggen, zoals het recht, de wetenschap en de politiek. Daarop vroeg ik me af: wat is nu het symbool van ons politieke stelsel? De grondwet had ik al een keer overgeschreven, dus ik dacht meer aan de troonredes die ik allemaal – vanaf 1814 – op internet kon vinden. Daarin krijg je de hele opbouw van het land te lezen en die ben ik nu dus allemaal aan het overschrijven.

Heb je nog weleens contact met de kunstenaars van After Nature, zoals Peter Klashorst?

Klashorst zit meestal in het buitenland, dus daar heb ik voornamelijk via Facebook contact mee. En als hij in Amsterdam is zien we elkaar meestal wel. Je hebt zo’n band met elkaar, dat gaat nooit meer weg.

Zie je het zelfs nog gebeuren dat jullie weer samenkomen om weer iets met elkaar te doen?

Dat zou heel goed kunnen. Je hebt gewoon zoveel met elkaar gedaan, dat zich een hele sterke band ontwikkelt.

Hoe paste Rob Scholte eigenlijk in dat verhaal. Stonden jullie lijnrecht tegenover elkaar?

Nou, dat viel wel mee. Maar Rob Scholte werd de eerste Nederlandse ster van de kunst. De eerste die internationaal doorbrak en bij een grote galerie in Keulen terechtkwam. Die stond dus op een soort eenzame hoogte. Hij was voor velen een groot voorbeeld en veel anderen waren weer stikjaloers. Maar ik heb daar zelf nooit zoveel moeite mee gehad.

Zijn er kunstenaars van nu die je bewondert? Of die verwantschap tonen met het werk van After Nature? 

Ik volg het niet zo heel erg, moet ik zeggen. Ik heb alleen het gevoel dat het allemaal erg braaf is geworden. De huidige kunst gaat veel over identiteit en gender, dat vind ik ontzettend saai. Elk mens heeft gewoon zijn eigen identiteit.

Ik begrijp het ook niet. Het gaat erom iedereen te respecteren om wie hij is, maar altijd redenerend vanuit een bepaalde groep. 

Ja, en jij wordt ook in een groep geplaatst en mag je alleen maar tot die groep verhouden. Van andere groepen weet jij zogenaamd niets af. Ik vind dat zo’n stompzinnige beperking. En als kunstenaars daar dan ook nog op ingaan denk ik: rot op.

Het past misschien in een breder kader van alternatieve feiten, waar ook Baudet zich van bedient. Maar bestrijden met feiten lijkt niet te helpen, kan kunst daar nog een rol in hebben?

Dat vind ik moeilijk te zeggen op dit moment. Het zou op zich een mooie en verleidelijke gedachte zijn, maar de praktijk is lastiger.

De troonredes van Bart Domburg zullen naar verwacht september 2020 te zien zijn in museum De Fundatie, Zwolle.

Beluister hieronder een geluidsopname van het gesprek.

* required

This is a unique website which will require a more modern browser to work! Please upgrade today!