De door en door racistische kunstsector

Afbeelding: Nelle Boer

Het was een kwestie van tijd. Deze week raakte het sterk gepolariseerde ‘debat’ over racisme ook de kunst. In de rug aangevallen uit twee verschillende hoeken: die van de podiumkunsten en van het museumwezen. Grote, weinig onderbouwde woorden die vooral klinken als beschuldigingen. En alles gebaseerd op ideeën over kunst die kant noch wal raken.

Wat is het probleem?

De kunstsector bereikt over het algemeen vooral de hoogopgeleide, blanke Nederlander. Dit zou je een probleem kunnen noemen als niet-hoogopgeleide, niet-blanke Nederlanders graag in aanraking willen komen met kunst en daarin belemmerd worden door factoren die buiten hun macht liggen.

En zo wordt het ook voorgesteld door een aantal toneelacteurs in een vlammend betoog op online cultuurmagazine Cultureel Persbureau. Na een korte optelsom van huiveringwekkende percentages komen de schrijvers tot de volgende conclusie over de kunstsector:

“Niet alleen degenen die het geld verdelen zijn te wit, dat geldt ook voor de makers, het aanbod en het publiek.”

Vervolgens worden de oorzaken van het probleem, de ‘te witte’ kunstsector, uitsluitend buiten de doelgroep van de niet-blanke, laagopgeleide Nederlander gezocht. Van de kunstenaar tot de museumdirecteur, van de fondsen tot het kunstonderwijs en van minister Bussemaker tot iets abstracts als de complete ‘sector’, alles en iedereen die met kunst te maken heeft krijgt er in het stuk van langs. Over de wil en keuzevrijheid, en dus de eigen verantwoordelijkheid van de niet-hoogopgeleide, niet-blanke Nederlander, wordt niet gerept.

Maar we kunnen toch echt pas spreken over een probleem als deze doelgroep moedwillig verhinderd wordt een kunstopleiding te volgen, kunst te maken en het eigen werk te exposeren. En die barrières bestaan in Nederland domweg niet. Het staat iedereen vrij zich aan te melden voor toelating tot kunstvakopleidingen en werk aan te bieden aan galerieën en musea, waarbij uitsluitend beoordeeld wordt op artistieke kwaliteiten en niet op de etniciteit van de maker.

De schrijvers van het stuk op Cultureel Persbureau tonen dus niet aan dat we hier te maken hebben met een probleem en stellen slechts te vaak van de laagopgeleide, niet-blanke Nederlander te horen:

“Bij alles wat er gemaakt wordt denk ik: dit gaat niet over mij.”

Maar zijn dat soort, misschien zelfs misplaatste, emoties de verantwoordelijkheid van de kunstsector? De denkfout die maar al te vaak gemaakt wordt binnen de kunstsector is te proberen bezoekers aan zich te binden door het kunstaanbod aan de wensen van het publiek aan te passen. Iets dat niet werkt en zelfs getuigt van een zekere minachting van het publiek, omdat het liever verrast en uitgedaagd wordt.

Ook Steven Ten Thije, conservator van het Van Abbemuseum in Eindhoven, denkt hiermee een oplossing te hebben voor een probleem waarvan ook hij niet kan aantonen dat het bestaat.

De geëmancipeerde conservator

Ten Thije schreef het essay ‘Het geëmancipeerde museum’, waar NRC-journalist Daan van Lent afgelopen woensdag volkomen kritiekloos verslag van deed onder de kop ‘Musea moeten zich richten op niet-blank, niet-hoogopgeleid publiek’. Een alarmistische titel van een betoog waarin Ten Thije stelt:

“In hun streven om de bezoekersinkomsten verder te verhogen, proberen musea dezelfde witte, hoogopgeleide bezoekers te verleiden om nog een keer te komen. Niet de mensen die nooit naar het museum komen.”

Maar voorbeelden van kunst die alleen de hoogopgeleide, blanke Nederlander aanspreekt en waar de niet-blanke, laagopgeleide Nederlander doorgaans aan voorbijloopt geeft Ten Thije niet. Begrijpelijk ook, omdat dit een onmogelijke opgave is. Hier gaat zijn betoog en dat van de schrijvers van het stuk op Cultureel Persbureau dan ook mank, want zij zijn het die onderscheid maken tussen zogenaamde ‘witte’ en ‘zwarte’ kunst.

Juist door van de niet-blanke, laagopgeleide Nederlander een karikatuur te maken, namelijk als iemand die een wezenlijk andere kunstsmaak heeft dan anderen, wordt bijgedragen aan de tweedeling in de samenleving waar Ten Thije zo voor vreest. Het zijn ideeën over kunst die doen denken aan het onderscheid dat in de jaren veertig van de vorige eeuw gemaakt werd tussen ‘ontaard’ en ‘verheven’ werk. Gevaarlijke ideeën die de kunstsector in de kiem zou moeten smoren, in plaats van te verspreiden via een boek geschreven in opdracht van het Mondriaan Fonds.

Een interessant onderzoek

Het staat in een bijzinnetje, maar in een ander NRC-artikel, ‘De drie zorgen voor de cultuursector’, wordt de vraag opgeroepen hoe het toch komt dat Nederlanders met een niet-Westerse achtergrond minder vaak zelf een kunstvorm beoefenen. Ligt het niet voor de hand dat daarin de oorzaken liggen van het feit dat sommige mensen uit deze doelgroep zich moeilijker kunnen identificeren met kunst? En is dit dus niet eerder begrijpelijk dan een misstand binnen de kunstsector, omdat deze doelgroep zelf blijkbaar minder deelneemt aan het maken van kunst? Wat daar weer de oorzaken van zijn, dat is nu eens werkelijk interessant om te onderzoeken.

Maar niet noodzakelijk, want minder interesse voor kunst bij een bepaalde doelgroep vormt, behalve dat musea hierdoor inkomsten mislopen, nog steeds niet een wezenlijk probleem als deze desinteresse niet veroorzaakt wordt doordat deelname aan kunst hen moedwillig verhinderd wordt. Een probleem zoals zich dat op de arbeidsmarkt bijvoorbeeld wel voordoet.

De schrijvers van het stuk op Cultureel Persbureau gaan hier ook op in, op de procentueel lagere deelname aan kunst door niet-Westerse Nederlanders, maar dan opnieuw als iets waar deze doelgroep zelf geen enkele keuzevrijheid, oftewel verantwoordelijkheid in heeft:

“Kunstvakopleidingen, leg de verbinding met het mbo en coach gekleurd talent naar de top”

Een werkelijk absurde opmerking, niet alleen omdat kunstvakopleidingen op Mbo-niveau veelvuldig bestaan, maar ook omdat de kunstenaar die ‘gecoacht moet worden naar de top’ bij aanvang gedoemd is te falen. Alleen degene die overtuigd is van de eigen artistieke kwaliteiten en bereid is zich onvermoeibaar in te zetten voor het kunstenaarschap maakt kans enigszins te slagen als kunstenaar.

Kleuren turven

Ik weiger zoals Ten Thije en de schrijvers van het stuk op Cultureel Persbureau te turven. Hoeveel niet-blanke mensen ik ben tegengekomen in het kunstonderwijs en in de kunstpraktijk. En ik weiger ook de kunstenaars die ik bewonder en die mijn ideeën over kunst sterk beïnvloed hebben te ordenen op raciale kenmerken.

Ik wil die lelijke gedachtewereld niet betreden, omdat kunst een vrijplaats is waarbinnen geen onderscheid gemaakt wordt op huidskleur. Laten wij als kunstenaars en iedereen die een rol speelt binnen de kunstsector er zorg voor dragen dat dit zo blijft.

 

 

Comments are closed.
* required

This is a unique website which will require a more modern browser to work! Please upgrade today!